Ook de overheid heeft concurentie

Abstract
De disciplinering van de mens door overheidsinstituten zoals geformuleerd door Foucault kan worden gezien als hét werk als men spreekt over surveillance en privacy. Maar door de veranderingen in onze maatschappij lijkt dit deel van zijn theorie rijp voor herziening. Dit werk vraagt zich dan ook af: wat is de rol van overheidinstituties in het huidige privacy-debat?
Introductie
Iedereen kent het wel, het onbehagelijke gevoel dat je bekeken wordt maar niet precies weet door wie of wat. Dit gevoel drukt zodanig op je schouders dat je je anders gaat gedragen. Het subject disciplineert zichzelf. Door onzichtbare machtstructuren zal de mens maatschappelijk gewenst gedrag vertonen. Deze structuren, uitgeoefend door instituties als het leger of de school, ontlenen hun macht aan de ‘unequal gaze’: het subject weet nooit of het geobserveerd wordt of niet en zal daarom altijd overgaan tot zelfdisciplinering en heeft hiermee een wapen in handen om grote groepen mensen te controleren. Dit idee vormt de basis voor het ‘Discipline and Punish’ van de Franse filosoof Michel Foucault dat nog steeds veelvuldig wordt gebruikt en geciteerd als er in de wetenschap of daarbuiten wordt gesproken over surveillance en ‘privacy’. Naar aanleiding van de blauwdruk van het ‘Panopticon’ van Bentham beschrijft Foucault een maatschappij die door constante observatie of de suggestie daarvan, uitgeoefend door instituties, zichzelf disciplineert.
Het idee van deze disciplinering en privacykwestie van Foucault blijft tot op de dag van vandaag nog steeds actueel, hoewel er natuurlijk ook veranderingen hebben plaatsgevonden. Voor Foucault waren die onzichtbare machtstructuren nog erg gerelateerd aan overheidinstituties. Als we het hebben over instituties in dit technologische en nieuwe media tijdperk dan lijkt het niet meer dan logisch dat deze instituties veranderd zijn. Moeten wij dan in de orde gaan denken van bedrijven als Google? Of spelen instituties geen rol meer? Daarom wordt in dit werk de vraag gesteld: Wat is de rol van instituties in het hedendaagse debat over privacy als we dit meten aan de hand van Nederlandse kranten? Vormen instituties nog een belangrijk onderdeel van deze discussie? Deze vragen zijn relevant omdat met het huidige tijdperk van ‘state of the art’ technologieën de term privacy steeds meer een ‘hot issue’ lijkt te worden in onze maatschappij. Het lijkt daarom niet meer dan logisch om een belangrijk onderdeel van ‘Discipline and Punish’, dat een autoriteit vormt als het om privacy gaat, op een of andere manier te herzien.

Googlization
In de wetenschap lijken overheidinstituties niet meer het lijdend voorwerp te zijn als er wordt gesproken over controle en surveillance. In dit tijdperk worden ander soorten ‘instituties’ genoemd. Een instituut dat perfect als voorbeeld zou kunnen staan komt naar voren in het ‘Googlization’ debat. Een debat waar de idee leeft dat Google een steeds dominantere positie lijkt te nemen in onze webpraktijken. Tegenstanders van deze Googlization leven met de angst dat binnenkort al onze praktijken zullen worden overgenomen door deze machtige zoekmachine en dat al onze handelingen in de toekomst plaatsvinden volgens het idee van dit bedrijf. Twee auteurs die elk aan één kant van dit debat staan zijn Geert Lovink en Richard Rogers. Lovink stelt in zijn ‘The Society of the query and the Googlization of our lives’ dat het internet een plek is geworden van een massa aan misinformatie, informatie waar wij als mens niks aan hebben. Google als ‘information retrieval system’ lijkt niet erg zijn best te doen om het de gebruiker gemakkelijk te maken een goede selectie te laten maken in deze informatie maar is meer geïnteresseerd in de controle over deze informatie: de nieuwe producten en services als Gmail zijn hier een voorbeeld van. ‘The prime objective of this cynical enterprise is to monitor user behaviour in order to sell traffic data and profiles to interested third parties’ (Lovink 2008; p…). De controle van informatie door Google is hem dus een doorn in het oog en stelt dat wij nieuwe manieren moeten vinden om met deze informatie om te gaan. Richard Rogers stelt daar echter tegenover dat instituties als Google geen blaam treffen en dat het monitoren van ‘user behaviour’ en dit gebruiken is een manier om het web voor iedereen behapbaar te maken. Deze personalisatie maakt dat bestudering van zoekresultaten een persoonlijke kwestie wordt. Rogers stelt in tegenstelling tot Lovink niet de nadruk op controle door Google. Privacy en controle worden dus door beide auteurs in relatie gebracht met het instituut Google, weliswaar elk op een andere manier.
Mark Poster en de mode of information
Mark Poster, een vooraanstaand wetenschap in de Media Studies, gebruikt ook het fenomeen informatie en de controle hiervan en gebruikt deze vervolgens om de theorie van Foucault een andere dimensie te geven. Poster begint zijn werk met het stellen dat een groot deel van de hedendaagse communicatie plaats vindt via elektronische devices. We kijken tv, luisteren radio gaan naar de film en gebruiken computers. In al deze praktijken wisselen wij symbolen en boodschappen uit, iets wat wij al doen sinds wij taal gebruiken en wat met de komst van elektronische devices alleen efficiënter is geworden. Volgens sommigen hebben deze devices dus geen substantiële invloed op de aard van communicatie en boodschappen. Maar volgens Poster is er wel degelijk iets veranderd.
We zijn terecht gekomen in een mode of information, een term die hij ontleent van de mode of production van Marx, elektronische devices een grote rol spelen in communicatie. In de mode of production beschrijft Marx de toegang tot productiemiddelen en de relatie met die productiemiddelen van de mens, Poster daarentegen beschrijft de relatie met informatie. ‘The exchange of symbols between human beings is now far less subject to constraints of space and time’ (Poster 1990: p.64). Informatie is ten alle tijden, overal en voor iedereen beschikbaar. Tijd en ruimte spelen dus geen rol van betekenis meer. We leven in de global village van Marshall Mcluhan. Na de periode van orale en geschreven communicatie zitten we nu in een ‘electronically me-diated exchange’ gekarakteriseerd door ‘informational simulations’ waardoor ‘the self is decen-tered, dispersed, and multiplied in continuous instability’ (Poster 1990: p. 66). Dit heeft gevolgen voor onze maatschappij want ‘in each stage the relation of language and society, idea and action, self and other is different’ (Poster 1990: p.66). Vanaf dit moment maakt Poster de voor dit werk zo belangrijke terugkoppeling naar Foucault.
Zoals eerder beschreven zijn de technieken tot disciplinering van Foucault afhankelijk van statische overheidsinstituties als het leger, de school en het ziekenhuis en waarbij ruimte een belangrijke rol speelt. Maar ruimte speelt nu geen rol meer:
‘In the electronic age, spatial limitations are bypassed as restraints on the controlling hierarchies. All that is needed are traces of behavior; credit card activity, traffic tickets, telephone bills, loan applications, welfare files, fingerprints, income transactions, library records, and so forth. On the basis of these traces, a computer can gather information that yields a surprisingly full picture of an individual’s life.’(Poster 1990: p. 103)
Er is nu de mogelijkheid om niet alleen massa’s te disciplineren, zoals in het Panopticon, maar ook het individu kan nu altijd, overal en bij elke handeling worden geobserveerd. We leven niet meer in het Panopticon maar een nieuwere, verbeterde versie: het Superpanopticon. ‘The database is the prototypical technique operating in the mode of information’. Databases zijn tegenwoordig dus zeer belangrijk als het gaat om de controle van die informational simulations en zijn het praktische middel van deze informatiemaatschappij. Het zijn de databases die de capaciteit hebben om al die informatie van mensen op te slaan en terug te kunnen bekijken. Maar deze brengen ook een gevaar met zich mee:
The structure or grammar of the database creates relationships among pieces
of information that do not exist in those relationships outside the database. In
this sense databases constitute individuals by manipulating relationships
between bits of information. (Poster 1990: p. 103)
Geen enkel moment noemt Poster in zijn werken de overheidsinstituten als een middel om controle uit te voeren in deze maatschappij. Het leger, de school of ziekenhuizen die bij Foucault nog sterk aanwezig waren spelen volgens Poster niet meer dezelfde rol van betekenis als het gaat om disciplinering. In plaats daarvan zijn de databases nu het belangrijkste en beste middel geworden om die controle uit te voeren, als we Poster moeten geloven. Is de rol van overheidsinstituties dan helemaal uitgespeeld? En hebben databases deze plek ingenomen? Kortom: Wat is de rol van instituties in het hedendaagse debat in privacy?
Methode
Om antwoord te kunnen geven op deze vragen zal er gebruik worden gemaakt van de aggregatie van de nieuwe media berichten in de 12 grootste kranten in Nederland. Er is gekozen voor kranten omdat dit de beste graadmeter lijkt om het publieke debat te peilen. Twee klassen van elk 20 studenten hebben over de maanden oktober, november en december artikelen verzamelt en geordend in een database. Deze ordening vond plaats op basis van tijd, katern, journalist, krant en onderwerp. Waar de laatste werd vertaald in tags. Door het onderwerp privacy niet alleen per krant maar ook over tijd te bestuderen hoopte ik een goed beeld te hebben van de behandeling van dit onderwerp in het Nederlandse krantenmedialandschap en uiteindelijk antwoord te kunnen geven op de vraag.Na de kranten- en tijd analyse moest er een manier gevonden worden om te kunnen beoordelen wat de aard was van ‘privacy-berichtgeving’. Om hier achter te komen is er gekozen voor het tellen van de tags die aan de grote tag privacy worden meegegeven. Iedere tag kon worden ingedeeld in drie categorieën: database, overheid of merknamen. Vervolgens werd er bekeken welke categorie het meest bij privacy werd toegevoegd. In de categorie database vielen tags als elektronisch patientendossier (EPD), kilometerheffing en ov-chipkaart en RFID. De categorie overheid bevatte tags als surveillance en cameratoezicht. Google en Twitter werden uiteraard in merknamen geplaatst. Bij het tellen van die tags is de ‘grootte’ van de tag niet in de bestudering opgenomen.
Bevindingen
De belangrijkste uitkomst die naar voren kwam in de kranten- en tijd analyse dat alle kranten (hoewel er wel verschil was) een substantieel deel van hun berichtgeving iets te maken heeft met privacy. Privacy was dus en veelbesproken onderwerp in de maanden september,oktober en november. Hoewel het Parool met stipt op nummer één staat blijken alle andere kranten hier ook interesse in te hebben (zie grafiek 1). Over de hele breedte wordt er dus gesproken over privacy. Maar aan de hand van de tags moet er bepaald worden wat hun aard is en de berichtgeving.

De uitkomst van het tellen van de tags zorgde voor een verrassende uitkomst: Databases en merken konden worden toegevoegd naast overheidinstituten als middel tot controle van de mens.
Zoals Poster in zijn werken aangaf lijken databases inderdaad een grote rol te spelen in deze huidige maatschappij, vooral als het gaat om privacy. Werd er bij Foucault alleen gesproken over overheidinstituties die controle zouden uitvoeren, tegenwoordig moeten daar databases aan worden toegevoegd. De angst voor privacy lijkt dus niet alleen te worden gevoed door instituties als de school of het leger maar ook databases als het elektronisch patiënten dossier, kilometerheffing en de ov-chipkaart. In al deze berichtgevingen heerst de angst voor de controle van informatie over het individu. Kan iedereen iets lezen over mijn ziekteverleden? En ziet iedereen waar ik ben geweest door de ov-chipkaart of kilometerheffing? Het is precies de angst die Poster omschreef: het individu wordt gedegradeerd informatie waar het geen invloed op heeft. Wordt de mens zich steeds bewuster van het Superpanopticon?
Maar ook merken als Google en Twitter lijken nu onderdeel te worden van de discussie, want net zoals Lovink Google verweet informatie te willen controleren en niet gemakkelijk vindbaar te maken lijken dit soort bedrijven ook steeds meer in het vizier te komen. De groei van bedrijven als Google en de belangrijke plaats die het inneemt in de maatschappij zorgt ervoor dat ze steeds meer op hetzelfde niveau worden geplaatst als de overheid. Het idee van Foucault dat overheidsinstituten het middel van controle was is niet uitgestorven, want nog steeds wordt een deel van de berichtgeving geschreven vanuit overheidsperspectief: zo zou de Nederlandse staat kampioen afluisteren zijn. Maar dit perspectief heeft wel concurrentie gekregen van andere perspectieven. De veranderingen in onze maatschappij hebben ervoor gezorgd dat er nieuwe categorieën ontstonden en dat er ook van daaruit werd geschreven.
Conclusie
Het subject zou zich volgens Foucault door overheidinstituties als het leger, de school of ziekenhuizen zelf disciplineren door de unequal gaze en zo zou er controle plaatsvinden. Maar dit idee lijkt door de veranderingen in onze maatschappij aan erosie onderhevig, zover dat aan dit perspectief nieuwe moeten worden toegevoegd. Want zoals Lovink en Rogers elk aangeven lijken ook bedrijven als Google controle uit te kunnen oefenen: controle van informatie. Een controle die Poster ook beaamt: we zijn terecht gekomen in een mode of information waar databases de informatie over het individu controleert. Het zijn dan ook juist deze twee categorieen die naast de overheid een plekje lijken te hebben ingeruimd als het gaat om privacy: kranten liëren privacy niet alleen aan overheid maar ook database en merken als Google en Twitter. Het blijkt maar weer: ook de overheid heeft concurrentie.
photo credit: _phogra_
Bibliografie
Poster, Mark. ‘Words without things. The Mode of Information.’ Oktober ( 1990):63-92.
Poster, Mark. Foucault, Marxism and history. Cambridge: Polity press, 1984.
Poster, Mark. The mode of information. Post-structuralism and social context. Cambridge: Polity Press, 1990.
Walby, Kevin. ‘Mode of production versus mode of information. Marx, Poster and an argument for anti-capitalist.’ Critical Sociology, nr. 33, (2007): p. 887-912.


Leave a Reply